Categorieën
eigen-beheer

namen noemen

namen noemen

Alles kan aanleiding zijn om te schrijven: toevallige ontmoetingen, opgevangen gesprekken, foto’s. In namen noemen vertelt Dees Wilgehof-Sodaar op humoristische wijze en met de nodige zelfspot over gebeurtenissen uit haar dagelijks leven vanuit soms onverwachte perspectieven. Ze speelt met schrijfconventies waardoor je als lezer ontregelt raakt. In tientallen lieve, grappige en ontroerende verhalen, herkenbaar en soms wringend, neemt ze je mee in haar eigen, chaotische wereld.

namen noemen, een bundel vol lieve, grappige en ontroerende korte verhalen. Met herkenbare en soms wringende situaties, die ook zomaar in jóuw leven plaats kunnen vinden.

Bestel nu deze fraaie, garengebonden uitgave, voor slechts € 15,50 per exemplaar (exclusief verzendkosten). En ontvang het boek gesigneerd thuis.

Verzending vindt plaats via PostNL binnen Nederland. Voor verzending naar het buitenland neem je het beste even contact met ons op.

lezersreacties

Eerste druk: december 2021
Tweede druk: januari 2022
ISBN 978-94-93226-75-3

wat ons inspireert ...

Ze studeerden gelijktijdig aan het ArtEZ conservatorium, maar bewandelden in die tijd elk hun eigen weg, vertellen sopraan Irene Hoogveld en pianist Maxime Snaterse. In november vorig jaar werden ze toegelaten tot het solistenbestand van de vereniging. Een bewuste keuze voor het lied, zegt Irene: ‘Als musicus kun je voor van alles kiezen, maar wij kiezen hiervoor.’
Soms moet je met de duivel dansen om de hemel te bereiken. Dan is het van onschatbare waarde als er iemand in de buurt is die je leert hoe je dansen moet.
Kunst is een middel om de wereld een stukje mooier is onze overtuiging. Het is een schakelaar die het licht weer aan kan doen ontdekte Dees laatst, toen ze – doodnormaal – moest plassen.
Componist Joost Kleppe legt zich al jarenlang toe op het schrijven van vocale werken, waaronder ook liederen. Maar hoe gaat een componist om met tekst?
Op het moment dat heel het land piepend tot stilstand kwam, hadden wij onze handen nog vol aan het vertalen daarvan in het werk voor onze opdrachtgevers. Daar zijn veel culturele organisaties bij en die zagen van het ene op het andere moment hun voorbereidingen van maanden sneuvelen.
‘Mijn droom als cultuurcoach is om iets terug te geven aan de community. Een aantal jaar geleden had ik een helpende hand nodig en nu kan ik jongeren datzelfde bieden’.
Het zorglandschap verandert ingrijpend. Organisaties staan voor de uitdaging om nieuwe vormen te vinden om aan de zorgvraag te voldoen en maatwerk te leveren die recht doet aan cliënten, patiënten en medewerkers.
Voor Koen was Den Dolder niet meer dan het dorp waar hij doorheen reed op weg naar zijn geboorteplaats Amsterdam: ‘Vooral in de winter, als er sneeuw lag en de bomen berijpt waren vond ik de omgeving prachtig. Dat ik er ooit zou wonen kwam niet in me op’.
‘Voordat ik als tropenarts naar het buitenland ging werkte ik jaren in een ziekenhuis in Nederland en dacht: Nederland is qua gezondheidszorg het beste van het beste. Toen ik terugkwam was ik verbaasd over de verschillen’
Met onderbrekingen versleet Koen in ruim 35 jaar zo’n acht Citroëns. De laatste ruilden hij en Dees een aantal jaar geleden in voor een degelijke gezinsauto: een Peugeot. Het werd geen match.
‘We worden geen De Balie, zoals in Amsterdam’, zegt Job Boot over de debatten in de bibliotheek, ‘maar het leuke is dat Idea het toch wil stimuleren en faciliteren.’
Categorieën
wat ons beweegt

Soms moet je met de duivel dansen om de hemel te bereiken

Soms moet je met de duivel dansen om de hemel te bereiken

© Mel Boas

Toen wij zeven jaar geleden op zoek waren naar een nieuwe woonplek voor ons gezin troffen we een lot uit de loterij: de Vijverhof op de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder. Het was liefde op het eerste gezicht tussen dat huisje middenin het bos en ons. Het was er stil en vanuit onze achtertuin keken we door een romantische haag zo een bos vol oude, groene bomen in. We zagen reeën en vossen, en hoorden elke nacht de uilen over de heide scheren. We stonden er helemaal niet bij stil dat we een kliniek voor forensische en intensieve psychiatrie als buren zouden krijgen.

Dat drong pas werkelijk tot ons door toen in 2017 ons dagelijks leven totaal veranderde. Den Dolder was van het ene op het andere moment nationaal nieuws. In de straten liepen politieagenten, het leger marcheerde door onze tuin en journalisten hielden ons om de haverklap staande. Soms voelde het alsof we in een slechte film waren beland. En onze rustige wijk? Die zagen we ineens dagelijks geportretteerd op tv, het internet en op voorpagina’s van kranten. Net als in het hele dorp sloeg ook bij ons de twijfel toe: die bospaadjes waar we zo gezellig wandelden, konden we daar nog komen? Was ons gevoel van geborgenheid en thuiskomen wel terecht? Familie en vrienden vroegen zich ineens hardop af of we wel een goede keus hadden gemaakt door naar Den Dolder te verhuizen. Leg maar eens uit dat we in Nederland een werkend en menswaardig systeem hebben. Dat behandelen beter werkt dan alleen maar opsluiten op het moment dat mensen delicten plegen terwijl ze lijden aan een psychiatrische ziekte. En dat dat win-win is voor iedereen. Want dat het om mensen gaat en niet om tot mens gestolde strafbare feiten, dat wordt nog wel eens over het hoofd gezien.

Een groter verhaal
Hoe we het voor onszelf ook wendden of keerden, we bleven houden van de plek waar we ons in een half jaar tijd al zo aan hadden verbonden. Maar waarom veranderde het beeld van ‘ons’ dorp ineens zo snel? Zorgen en nabuurschap zitten in de genen van Den Dolder. De Willem Arntsz Stichting streek al honderd jaar geleden in Den Dolder neer. Natuurlijk zal het nooit alleen maar koek en ei geweest zijn, maar waarom kwam juist nu zoveel negativiteit naar boven? Want er leek maar één juiste mening en dat was dat de klinieken zo snel mogelijk moesten vertrekken. En eerlijk is eerlijk, op sommige momenten vroegen wij ons ook af of dat niet misschien de beste oplossing was om de rust te laten weerkeren. Maar die tweespalt in onszelf en in de buitenwereld deed ons ook beseffen dat er een groter verhaal achter moest zitten. Een verhaal dat niet gehoord werd. En waar verhalen zijn, moet je luisteren om te kunnen snappen waarom mensen reageren zoals ze doen. Eigenlijk verschilt dat niet veel van de patiënten en cliënten die aan de zorg van Fivoor zijn toevertrouwd, weten we nu. Ook zij hebben een verhaal dat zelden verteld wordt. En onbekend maakt onbemind. Maar maakt bekend dan bemind(er) en wat zou onze bijdrage kunnen zijn?

Verbinding verbroken
Omdat we eigenlijk nog te nieuw waren in Den Dolder en de zorginstellingen die op het terrein van de Willem Arntsz Hoeve gevestigd waren niet echt kenden, begonnen we te lezen: over de geschiedenis van het terrein, over het ontstaan van het dorp; en we luisterden door te praten met mensen die al jaren in Den Dolder woonden. We ontdekten liefde. Liefde voor dat eigengereide dorp, voor eerdere generaties patiënten en medewerkers van de klinieken en voor de ondernemingszin van inwoners. Als ergens de inclusieve samenleving vorm had gekregen, dan was het wel in Den Dolder. Want bij de toneelvereniging, muziekvereniging, gymnastiek- of wandelclub was iedereen betrokken bij iedereen. Lag er ’s winters ijs? Dan werd er geschaatst op de vijvers voor de zusterhuizen aan de Vijverhof en zorgde ‘de stichting’ voor koek en zopie. Zorginstellingen en dorpelingen deden het samen. En stigma’s? Ze zullen er vast geweest zijn, maar vaker werden patiënten liefdevol ‘onze gekkies’ genoemd, waar iedereen, professional of niet, op een eigen manier naar omkeek. Als we over al die schouders terug het verleden in blikten, dan blonk Den Dolder uit in medemenselijkheid. Tegelijkertijd was er ook een ander geluid dat daar schril tegen afstak. Ergens in het recente verleden hadden instellingen de deuren en ramen gesloten en was er radiostilte in acht genomen. De patiënten die iedereen kende gingen terug de wijk in, anderen met complexere problemen kwamen er naartoe. ‘Onze gekkies’ veranderden in ‘hun gekken’ die verslaafd waren of gedrag lieten zien dat niet zomaar te begrijpen is. En al die dingen samen zorgden ervoor dat gaandeweg het contact tussen de instellingen en het dorp verbroken raakte.

Herstellen wat is scheefgegroeid
Voor ons is zoeken naar verbinding en compassie een van de kernthema’s in ons werk als kunstenaars. Want als er iets is wat je anders laat kijken naar de wereld, dan is het kunst. Met kunst kun je uitnodigen om in je verbeelding eens in de schoenen van een ander te gaan staan en opnieuw het gesprek aan te gaan. ‘Jullie denken anders’ horen we dan ook vaak. En dat klopt waarschijnlijk wel, want niets is wat het lijkt. Dus toen begin 2018 de storm een beetje was gaan liggen en we de kans kregen om in een van de oude werkplaatsen achter op het terrein ons atelier te vestigen, begon het te borrelen. Die mooie ruimte was de plek waar onbekenden bekenden konden worden. Dat begon met meedoen aan de burendag van Fivoor en Altrecht het elke maand openstellen van ons atelier. Toen dat door corona onmogelijk werd en er binnen niets meer mocht, organiseerden we openluchtconcerten waar iedereen welkom was. Want gewoon samen genieten van muziek, elkaar ontmoeten en even je sores te laten voor wat die zijn creëert ruimte waar verbinding kan ontstaan. ‘Dat is toch een druppel op een gloeiende plaat’ werd wel eens tegen ons gezegd. Misschien, maar aan de andere kant: als je nooit begint met druppelen, dan koelt die plaat nooit af. En je moet toch ergens beginnen met het herstellen van wat is scheefgegroeid.

Leren dansen met de duivel
Lang hoefden we daarom niet te twijfelen toen ons later werd gevraagd een paar dagdelen mee te lopen in twee klinieken van Fivoor op het terrein. Net zomin als dat we er lang over dim-damden of we ja zouden zeggen toen we voor deze bundel verhalen mochten gaan verzamelen van medewerkers, (oud-)patiënten en cliënten, en hun naasten. Want we zeiden het al eerder: het begint met luisteren naar elkaars verhalen. Doordat we van Fivoor alle ruimte kregen om oprechte gesprekken te voeren kregen we goud in handen, wie we ook ontmoetten. Wat we hoorden raakte ons. Medewerkers vertelden met een enorme passie dat ze juist voor deze ingewikkelde doelgroep van betekenis wilden en konden zijn. Patiënten wisten haarfijn uit te leggen hoe de zorg van Fivoor, in welke vorm dan ook, hun levens had veranderd of nog veranderde. En naasten en omwonenden konden de vinger op de zere plek leggen over waar het schuurde in het contact met Fivoor als organisatie en waar het veranderd was. Want als er iets is dat wij zelf ook gemerkt hebben in de afgelopen jaren, is dat Fivoor is gaan laten zien dat wat zij doen een waardevolle bijdrage aan de maatschappij levert. Dat het loont om onder de oppervlakte te kijken naar de mens achter dat onbegrepen of ongewenste gedrag. Dat als je diep genoeg graaft er altijd een mens tevoorschijn komt. Want we zijn allemaal mens, de patiënten en cliënten van Fivoor niet minder dan wie dan ook. Uit eigen ervaring weten we hoe dun die scheidslijn tussen een ‘normaal’ leven en moeten leren omgaan met psychische kwetsbaarheid is. Toen de druk hoog was en onze levens door ingrijpende gebeurtenissen veranderden, verloren we ons evenwicht. We zochten én kregen hulp. Dat leerde ons dat je soms met de duivel moet dansen om de hemel te bereiken. Dan is het van onschatbare waarde als er iemand in de buurt is die je leert hoe je dansen moet.

Dit nawoord verscheen in Gezien en gehoord, een verhalenbundel uitgegeven ter gelegenheid van het 5-jarig bestaan van Fivoor, uitgave november 2023.

wat ons inspireert ...

Categorieën
wat ons beweegt

Vanaf nu wordt het echt genieten!

Vanaf nu wordt het echt genieten!

© Bas Weetink

‘Op het conservatorium zagen we elkaar wel, maar pas later ontdekten we dat we dezelfde ambitie hebben’, begint Maxime. Irene valt haar bij: ‘Zij was druk, ik was druk en nadat we klaar waren ging ik naar Londen en Maxime naar Brussel.’ Ze ontmoetten elkaar pas werkelijk toen Irene haar eigen operaproject EER(S)T DE DAME – waarover later meer – op de planken bracht. Irene: ‘In de loop van 2020, 2021 ontstonden bij mij de ideeën voor mijn mini-opera’s, drie korte werken voor sopraan solo. Ik werd gevraagd dat uit te breiden tot een avondvullend programma en als zanger kun je dat niet alleen. Je hebt collega’s nodig. Ik zocht dus niet alleen “een” pianist, maar ook iemand waarmee ik kon optrekken. Toen kwam ik bij Maxime uit. We merkten dat we ook in onze carrières op hetzelfde punt zitten en op dezelfde manier nadenken over de stappen die we willen nemen of over wat we belangrijk vinden in het musiceren.’ Van het een kwam het ander en als vanzelf groeiden ze toe naar het plan om te auditeren bij de Vrienden van het Lied. ‘Het was een spontaan idee’, vertelt Maxime, ‘We hadden net repertoire opgebouwd en dachten: we doen het gewoon.’ Het is de intieme setting van het lied en hun nauwe samenwerking die aanspreekt vult Irene aan: ‘We werken op heel gelijkwaardige voet, hebben allebei een eigen inbreng en vinden elkaar op een organische manier altijd wel. Dat gaat van het vinden van repertoire tot aan de laatste details van de uitvoering. Dus we kunnen ook samen de koers bepalen.’

Van spanning naar ontspanning
Op 3 februari jl. gaven zij hun eerste recital voor de vrienden in Zutphen. De recensie die een van de bezoekers schreef over hun debuut was lovend over het verrassende programma waarin ook onbekende liederen waren opgenomen en ruimte was voor werk voor piano solo. Maar hoe beleefden zij het zelf? Maxime lacht als ze antwoord geeft: ‘Ons programma heet ONTSPANNING en voor de eerste keer het volledige programma uitvoeren bracht natuurlijk de nodige spanning met zich mee. Zou onze repertoirekeuze en uitvoering wel in de smaak vallen bij het publiek?’ Maar daarop volgde ook de ontspanning: ‘Volgens mij mogen we tevreden zijn. Er hing een fijne sfeer en het was een mooie gelegenheid om te ervaren of het werkte zoals we in gedachten hadden. Alles bleek goed in balans.’ Irene is het daar hartgrondig mee eens: ‘Ik vond het nogal een vuurdoop. Het werd goed bezocht en mensen bleken er echt naar uit te kijken. Maar het applaus na afloop was hartstikke enthousiast en mensen bleven ook graag na om met ons te praten. Het publiek was echt heel betrokken bij wat we die avond deden. Ik vond het vooral ook heel leuk om juist deze werken te brengen. De muziek van Diepenbrock, Wagner en Poulenc is toch heel expressief en om dat dan te brengen van: dit is het, geniet ervan, dat is heel goed gelukt. Het was voor ons echt een waardevolle start.’

Een frisse mix
Irene gaat verder: ‘Het is een enorme gunst om publiek te vinden dat aansluit bij dit soort muziek. Nadat we waren toegelaten ben ik naar een recital geweest van de Vrienden, gewoon als bezoeker, en heb toen met mensen uit het publiek gesproken over wat hen trekt. De een zei: ik kom voor de tekst en de poëzie. De ander: ik kom voor de piano. En de derde wilde gewoon een leuke middag. Ik denk dat we door ons programma goed vorm te geven voor elk wat wils hebben en een frisse mix kunnen brengen.’ Over die vernieuwende blik op het repertoire hebben beiden genoeg ideeën. Maxime: ‘We houden wel van een beetje out of the box denken en staan allebei heel erg open om na te denken over een mooie rode draad, en dat kan echt van alles zijn. We willen net dat beetje extra geven. De muziek zegt op zichzelf natuurlijk al heel veel en die vormt de kern, maar bijvoorbeeld een mooie toelichting, of een mooi verhaal eromheen of minder bekend repertoire … En ook juist de verbondenheid tussen de stukken, zodat de solostukken die ik speel ook weer goed passen en er allerlei linkjes zijn te maken die een programma tot een geheel maken. We houden the big picture in de gaten én willen alle details goed uitvoeren.’ Irene: ‘Ik ga ook naar recitals van anderen om repertoire dat nog heel erg onbekend is te scouten. We zoeken echt naar wat bij ons hoort, als Nederlandse vrouwen die klassieke muziek bedrijven, en proberen dat zo te combineren dat het voor het publiek behapbaar wordt.’

Op zoek naar Nederlandse klassieken
Dan gaat Irene dieper in op het vinden van onbekend(er) repertoire: ‘Ik heb een passie voor het vinden van Nederlands en zelfs Nederlandstalig repertoire, maar als je kijkt naar de klassieke componisten is dat soms moeilijk te vinden.’ Maxime beaamt dat: ‘In ONTSPANNING hebben we dat nog niet zo uitgebreid gedaan als we zouden willen, want het kost tijd om de juiste stukken te zoeken. Het is niet zo dat je denkt: het is een Nederlandse componist dus we doen het gewoon. Het moet wel een van gelijkwaardig niveau zijn en in een programma passen.’ Irene valt haar volmondig bij: ‘Vooral dat! Als je kijkt naar klassieke componisten is de bladmuziek of informatie vaak moeilijk te vinden. Daar liep ik ook bij het onderzoek voor EER(S)T DE DAME tegenaan. Veel muziek ligt ergens in een archief en is nog niet gedigitaliseerd, of het is wel gedigitaliseerd maar in een zo slecht handschrift dat het bijna niet bruikbaar is. En met nieuw gecomponeerde liederen heb ik gemerkt dat hedendaagse componisten sneller kiezen voor bijzonderder bezetting dan zang en piano, of ze worden geschreven voor bijvoorbeeld een concours of festival en daarna gemakkelijk weer vergeten.’ Ze schiet in de lach als ze opsomt: ‘Ik heb met accordeonensembles gewerkt, met marimba, altsaxofoon, echt je kunt het zo gek niet verzinnen … maar eigentijdse muziek voor zang en piano? En dan heb ik het nog niet eens over Nederlandstalig repertoire.’

Eigen artistieke identiteit
Waar kwam die liefde voor Nederlands repertoire vandaan? Irene: ‘Toen ik in Zwolle studeerde werden we heel erg aangemoedigd om naar onalledaagse muziek te luisteren, Baltische muziek, Stravinsky … En naarmate mijn studie vorderde dacht ik: goh, waar is de Nederlandse muziek? Dat gevoel werd versterkt toen ik in Londen studeerde. Mensen namen hun eigen cultuur mee, chansons of Nieuw-Zeelandse haka’s en daar kreeg ik een heel onbereikbaar gevoel door. Alsof ik dat niet zomaar van de plank kon pakken. Dat frustreerde me, want ik raakte daardoor mijn eigen artistieke identiteit een beetje kwijt. Waar was dat deel van mij persoonlijk als uitvoerende? Ik studeerde in 2019 af, net voordat de coronapandemie begon. Toen had ik dus zeeën van tijd om daar verder mee aan de slag te gaan en ben ik EER(S)T DE DAME gaan maken.’ Voor deze drie korte solovoorstellingen liet ze zich inspireren door Judith Weirs King Harald’s Saga, een onbegeleid stuk voor sopraan solo. Alle drie draaien ze om heel uiteenlopende onderwerpen, ‘maar ze liggen wel allemaal heel dicht bij mijzelf’, zegt ze. Maxime onderzoekt de aansluiting tussen de muziek en de wereld om haar heen op een heel eigen manier: ‘De muziekwereld is toch een eigen wereld en er is zoveel daarbuiten dat mij ook interesseert. Het wordt ook steeds belangrijker, omdat je steeds meer ontdekt over hoe de wereld in elkaar zit.’ Daarom studeerde ze naast piano ook technische bedrijfskunde en business administration, een onalledaagse combinatie. ‘Toen ik nog beide studies naast elkaar deed kreeg ik vaak de vraag: “Kun je nog wel focussen op het pianospelen?”,  maar juist omdat je ook anders geprikkeld wordt kun je je toeleggen op wat je aan het doen bent. Ik denk dat er echt een slag te slaan is tussen die werelden, want wat wij doen als musicus heeft zoveel overlap met andere richtingen. Het draagt zeker bij aan wie ik ben als musicus om daar af en toe bij stil te staan.’

Een wereld aan nieuwe mogelijkheden
Nederlands repertoire, actuele thema’s en maatschappelijk engagement bewegen beiden dus duidelijk. Een mooi voorbeeld daarvan is ook het theaterstuk Graven van het Nieuw Utrechts Toneel waar Maxime in 2020 aan meewerkte: ‘In die voorstelling vertelt Greg Nottrot (acteur en regisseur; red.) een persoonlijk verhaal over de Tweede Wereldoorlog, maar het wordt vertaald naar een veel breder thema, namelijk wat mag je vertellen over je verleden en wat is geheim, wat is goed en wat is fout? Met mijn pianomuziek kon ik daar iets aan toevoegen. Die pianowerken zijn in een bepaalde tijd geschreven, hebben een eigen achtergrond en worden dan in een nieuwe context geplaatst waardoor ze iets extra’s krijgen.’ Irene: ‘Dat doen we ook in onze eigen presentatie. Het gaat niet alleen om wat er muzikaal gebeurt, maar ook wat er sociaal-maatschappelijk speelde toen de stukken geschreven werden. Wat gebeurde er in de levens van de dichters en componisten, niet alleen als componist of dichter, maar als mens. Daarmee maak je de muziek meer levend. Wat maakt dat het zo schrijnend is? Waarom komt het zo diep binnen? Het is en-en.’ Maxime: ‘Er ontstaat echt een wisselwerking, zonder dat je de kunst zelf tekort doet. Want dat vind ik wel heel belangrijk: dat wat we doen kwalitatief goed is en we erachter kunnen staan. We halen er niet iets af om het toegankelijker te maken, of makkelijker.’ Irene vult aan: ‘En toch bewegen we ons binnen de klassieke muziek. Dat doen we ook heel bewust. Ik zeg vaak: we verbinden het verleden, heden en de toekomst door de muziekvorm en onderwerpen die we kiezen. We kijken heel bewust: waar willen we naartoe? Wat willen we achter ons laten? Wat nemen we bewust de toekomst mee in? En als je één element openbreekt en er een component bij pakt, dan gaat er een wereld aan nieuwe mogelijkheden open.’

Het lied ín de wereld brengen
En precies dat is waar ze als liedduo naar op zoek zijn. ‘We hebben als duo nog zoveel ideeën! Toen we werden toegelaten werd ons gezegd: maak maar een programma. Maxime en ik hebben wel acht thema’s en ideeën gelanceerd! Omdat we zo breed kijken is er zoveel mogelijk en er is zo’n rijkdom aan repertoire …’, zegt Irene. ‘We pakken ons lijstje er wel even bij’, merkt Maxime op. Ze barsten allebei in lachen uit, voordat Irene verder gaat: ‘Er komen nu meteen al 10, 12 ideeën boven. Maar één daarvan is dat we natuurlijk op heel verschillende locaties komen, maar er zijn ook overeenkomsten. We zouden graag meer gebruik willen maken van het feit dat we in de wereld zijn. Dat we niet in een soort black box staan, maar gebruik maken van de ruimte, de akoestiek, de tijd die mensen ons geven om liederen in zo’n context te plaatsen dat ze achteraf zeggen: ik kan me bijna niet voorstellen hoe het zo mooi in elkaar paste. Dus de liederen niet als eilanden op zichzelf te zien, maar echt in de wereld te zetten. Er zijn zoveel manieren om meer interactief te werken, in het moment.’ Ze komt kort terug op het brengen van Nederlands repertoire: ‘Mijn droom is dat ik op een gegeven moment een hele bibliotheek aan Nederlandse liederen heb, Nederlandstalig, anderstalig, en voor elke gelegenheid een lied dat ook helemaal bij mij, als Nederlandse zanger, past. Want als ik in het Nederlands zing, dan gebeurt er ook iets met het publiek. Daar zit zo’n eigenheid en gezamenlijkheid in. Dat wil ik meer opzoeken. En dat dan in de context die Maxime net ook al aangeeft: klassieke muziek van hoge kwaliteit, met respect voor de tijd waarin het geschreven is en de mensen die het geschreven hebben. Maar dan met onze eigen inbreng daarnaast.’ Maxime voegt toe: ‘Dat de Vrienden van het Lied ons nu plekken biedt om ons programma uit te voeren is een hele mooie kans, want als startend duo is dat toch vaak lastig en ik denk dat er een bijzondere samenwerking kan ontstaan tussen de kring mensen die deel uitmaken van de vereniging en wij als musici.’ Irene sluit af: ‘Tijdens je studie zit je in een bubbel. Dat we als duo nu voor de Vrienden kunnen optreden, dat gezegd wordt: we vinden het interessant wat je doet, kom het maar doen … dat biedt stevigheid en perspectief. Vanaf nu wordt het echt genieten elke keer als we weer richting een recital gaan.’

Dit interview verscheen in De Liedvriend, het ledenmagazine van de Vereniging Vrienden van het Lied, uitgave mei 2023.
Tekst: Dees Wilgehof-Sodaar.

wat ons inspireert ...

Categorieën
wat ons beweegt

kunst verbindt

Kunst verbindt

Plassen. Het is een van de meest alledaagse dingen die een mens doet vanaf het moment dat hij bestaat. Nog voor je geboren bent, moet je al plassen. Gewoontegetrouw knipte Dees op het toilet het licht aan. Knipte ze het licht aan. Knipte ze … Het bleef donker. Aardedonker. Zoals altijd waren we druk, druk, druk. Boven hebben we nog een wc, maar de trap op lopen, daar had ze dus eigenlijk geen zin in. Het duurde nog een week voordat Koen kans zag het lichtknopje in nog geen vijf minuten te repareren. En die hele week was het dus: trap op, trap af. En toen was er weer licht! Geen pikkedonker meer, maar weer thuis zoals thuis hoort te zijn, met licht op de wc.

De eerste keer daarna dat Dees zich terugtrok in het kleinste kamertje schoot ze vol. Want ergens anders op de wereld storten huizen in. Huizen van mensen zoals jij en ik. Moeten mensen op de vlucht om ergens anders veiligheid te vinden. Mensen zoals jij en ik. Door die ene simpele handeling werd ze zich bewust van de onmetelijke luxe waarin we leven. Waarin wij allemaal leven. Ondanks onze zorgen en verdriet, wij hebben een thuis. Zijn geen vluchteling in eigen land. Zelfs niet als het lichtknopje dienst weigert.

Wie in eigen land ontheemd raakt wordt door ngo’s een ‘internally displaced person’ genoemd. En om het onszelf gemakkelijk te maken hangen we daar meteen een afkorting aan: IDP. Maar daarmee vergroten we de afstand. Een afkorting is een ding, een begrip, geen mens. Neem nou bijvoorbeeld de woorden die de Syriërs zelf geven aan deze mensen. Zij noemen hen de mensen ‘die als laatsten overeind zijn gebleven’. Dat is een veel krachtiger omschrijving, menselijker ook.

Voor ons is het dus ook niet meer dan logisch dat we de helpende hand toesteken wanneer mensen in nood zijn. Dat deden we aan het begin van de oorlog in Oekraïne en recent na de hevige aardbeving in Syrië en Turkije. Want fysiek gaan helpen kunnen we niet, maar de hulpverleners die dat wel kunnen financieel ondersteunen kunnen we wel! Het is ongelofelijk wat er dan op je af komt aan hulp en steun: vrijwilligers die flyers huis-aan-huis willen verspreiden, ondernemers die geld, apparatuur of waar ter beschikking stellen, een kerk die haar deuren openstelt. Het is te veel om op te noemen. Zonder hen hadden we het niet voor elkaar gekregen.

Wat dat laat zien? Dat ons idee dat kunst een middel is om de wereld een stukje mooier te maken klopt. Samen kunnen we de schakelaar repareren en het licht weer aandoen. Want kunst verbindt.

wat ons inspireert ...

Categorieën
wat ons beweegt

meer uiting van gevoelens dan schildering

Meer uiting van gevoelens dan schildering

© Felipe Pipi

Componist Joost Kleppe legt zich al jarenlang toe op het schrijven van vocale werken, waaronder ook liederen. Maar hoe gaat een componist om met tekst? 

‘Wat veel mensen zich niet realiseren is dat je als componist een heel grote macht hebt over hoe een luisteraar een zin ervaart’, begint Joost, ‘Muziek kleurt een zin enorm en dat wordt bepaald door een componist. Je schept de omstandigheden waaronder mensen iets ook kunnen voelen. En bijna alle gedichten hebben iets muzikaals. Gedichten gaan al richting klank en ritme en hebben een zekere cadans.’

De ondertoon vinden
Daarom is een letterlijke tekstuitbeelding ook vaak uit den boze, vindt hij. Componeren gaat verder dan het verklaren van een tekst: ‘Je interpreteert de tekst, maar op een open manier. Het is goede liedcomponisten eigen dat ze je niet een interpretatie van de tekst opdringen, je niet de emotie in het gezicht duwen, je niet precies vertellen wat de tekst óók al vertelt. Als er staat “ik hoor een vogel zingen”, dan hoef je dat niet per se in de pianopartij te horen. Iedereen weet hoe een vogel klinkt. Het kan wel werken, maar het mooie van muziek is dat je er iets onder kunt leggen. Een zin als “ik haat je” kun je op een waanzinnig dissonant akkoord zetten, maar misschien is het wel veel interessanter en indrukwekkender om hem heel zacht te zingen.’ Hij verwijst naar Beethoven die boven zijn 6e symfonie schreef: Mehr Ausdruck der Empfindung als Malerei, meer uiting van gevoel dan schildering. ‘Ik probeer altijd die ondertoon te vinden die het spannend houdt. Een eenvoudig voorbeeld is Deze vuist op deze vuist … van Harry Bannink, die ik zelf als grote Nederlandse liedcomponist zie. En meer en meer mensen gelukkig. Terwijl de tekst zegt “en zo klim ik naar boven” gaat de melodie juist omlaag. Hij heeft daar brieven over gekregen van muziekpedagogen die zeiden: “Maar meneer Bannink, dat kan helemaal niet!” Maar hij verdomde het om de melodie letterlijk de tekst te laten volgen. Dat werd hem te tekenfilmachtig.’

Iets wat het verstand te boven gaat
‘De mooiste teksten zijn die waar je twee kanten hebt’, gaat hij verder, ‘In het lied Frühling läßt sein blaues Band van Hugo Wolf bijvoorbeeld – dat heet eigenlijk Er ist’s – hoor je in de pianopartij de vrolijkheid van de naderende lente. Maar naast die blijheid legt hij ook iets heel geheimzinnigs, alsof je het ene na het andere gordijntje opentrekt. Hij gebruikt allemaal majeur harmonieën, maar die gaan op een merkwaardige manier in elkaar over. Hij schildert daarmee eigenlijk twee dingen: verbazing – hé, hier barst ook weer wat open – én vervreemding, zoals je hebt wanneer je met nieuwe ogen ergens naar kijkt. Vaak probeer ik ook meerdere lagen aan te brengen. Zo zit de mens ook in elkaar’, voegt hij toe, ‘Wij zijn geen eenduidige wezens. Als we boos zijn, zijn we vaak ook verdrietig en als we verdrietig zijn misschien ook heel vredig. Het is altijd een mengsel. Dat maakt mensen en kunst interessant. Je kunt er geen stickertje op plakken, niet één woord. Anders kun je net zo goed een bordje ophangen met “boos” of “vrolijk”. Het is een belevenis, niet alleen een emotie. Er zit altijd meer doorheen. Óf die boosheid wordt zo mooi geschilderd dat je hem weer als nieuw voelt. Dat is het prachtige aan kunst. Er is iets onbenoembaars, iets wat ons verstand te boven gaat.’

Ruimte maken voor de tekst
Hoe ga je dan als componist te werk? ‘Een gedicht is een ander medium, dat is belangrijk om je te realiseren. Een gedicht is niet bedoeld als liedtekst. Iets kan een geweldig gedicht zijn, maar niet zo geschikt als liedtekst, want je maakt er iets anders van. Eerst probeer ik heel erg goed te voelen wat er in een gedicht aan de hand is. Ik lees het een aantal keer en vaak ga ik dan een stuk wandelen, want dan kan er iets bij me opkomen. Of wat ook vaak gebeurt is dat ik bij een zin in het midden of aan het einde al muziek hoor en ik van daaruit verder ga. Ik bouw een lied niet per se van a tot z op. Eigenlijk maak je als componist een architectuur, een spanningsboog in de tijd. Laatst zette ik een gedicht op muziek dat eindigde met “ik had vader willen zijn, vader nog het meest”. Daar hoorde ik meteen een melodie bij. Die heb ik aan het begin weer gebruikt als intro. Ik kijk dus heel erg naar welke structuur ik ongeveer ga maken. In het kleine, met themaatjes die misschien al af zijn, en in het grote, zo van: hier moet waarschijnlijk een omslagpunt komen, een belangrijk kwartje dat valt.’ In de praktijk betekent dat bijvoorbeeld werken met herhaling en tussenspelen, vertelt hij: ‘Dat is muziek nou eenmaal eigen en maakt het mooi’, zegt Joost, ‘Je moet de tekst ruimte geven, want een gedicht lees je vaak langzaam voor jezelf en je laat de woorden goed tot je doordringen. Wanneer je het als muziek presenteert moet je ruimte creëren om het door te laten dringen. Met een tussenspel of door regels te herhalen, zeker in een snel liedje, omdat je anders te snel door je tekst heen bent. In het lied van Wolf zie je dat ook mooi. Hij herhaalt “Frühling, ja du bist’s!” in totaal drie keer. Dat is voor een lied heel fijn, terwijl Mörike het in zijn gedicht niet herhaalt.’

Kleuren toevoegen
‘Ik vind overigens dat je een tekst niet mag veranderen, tenzij je de dichter kent, kunt opbellen en zeggen: ik wil heel graag dit woord anders. Je moet wat de dichter schrijft wel serieus nemen, daar zit zijn of haar vakmanschap in. Dus kom niet aan de woorden!’, zegt hij beslist, ‘Maar kom wel aan de herhaling.’ Gedichten met mooie, klankrijke woorden zijn daarom heel geschikt om op muziek te zetten, vindt Joost: ‘Ik kwam een keer “handbeschilderd koetsje” tegen, dat is als prozatekst mooi, maar zingend is het niet lekker. Je wil graag zinnen als “zeilschepen deinden op de voorjaarswind”. Het is fijn als er klank in de woorden zit en niet te veel schurende lettergrepen. Gedichten van Reve zijn bijvoorbeeld heel lastig op muziek te zetten omdat ze zo gortdroog zijn. Je hoort gewoon zijn stem erbij. Maar iets van Lodeizen is weer heel fijn om te toonzetten. Daarom gaan klassieke zang en hogere poëzie ook heel mooi samen, omdat het allebei gestileerde vormen zijn. En zeker als je meer de lyrische kant opgaat wil je dat de suggestie open blijft, dat je niet helemaal weet wat het betekent.

Componeren is soms als koken
Daarmee komt Joost terug op wat hij eerder zei over letterlijke tekstuitbeelding: ‘Ik vind niet dat je per se een laag toevoegt, je maakt het niet ingewikkelder. Soms voeg je inderdaad een laag toe, maar meestal versterk je iets wat er al is. Natuurlijk neigt de ene componist meer naar rood en de ander naar groen, maar je probeert je open te stellen voor wat er in het gedicht zit en dat op te vangen en als het ware te vertalen naar die nieuwe vorm die muziek is. In Der Leiermann uit Schuberts Winterreise bijvoorbeeld versterkt de draailier, die je in de pianopartij hoort, de eenzaamheid van de man en dat voegt schoonheid toe. En de muziek maakt ook heel duidelijk dat het een bevroren situatie is’, wijzend op de statische kwint in de bas, ‘terwijl in de rechterhand een speels melodietje klinkt.’ Joost neuriet. ‘Die tegenstelling maakt het bitter. Maar Schubert gebruikt al die elementen heel gedoseerd, bijna eenvoudig. Het is eigenlijk net als met koken, wanneer je oregano én kerrie door elkaar gooit en er een kruidenbouillontablet én een oosterse kruidenmix doorheen doet, blijft er niet veel meer over. Je moet goed zien wat het medium muziek kan toevoegen aan de tekst.’ Bij het werken met levende dichters en librettisten is dat duidelijk merkbaar: ‘Soms moet je dichters wel even leren dat je met muziek iets anders kunt dan met woorden. Een schrijver wil het hele verhaal vertellen, en vaak is het juist fijn als dat niet gebeurt. Het is de kunst, voor de schrijver én de componist, om niet voortdurend te willen schitteren, te willen laten zien: ik kan het hoor!’

Engel aan mijn bed
Op dit moment is hij bezig met het schrijven van liedjes op eigen, uit het leven gegrepen teksten voor een album dat hij gaat opnemen met onder anderen Loes Luca en Wieteke van Dort: Engel aan mijn bed. ‘Als je met anderen samenwerkt word je soms boven jezelf uitgetild en wordt het geheel meer dan de som der delen. Het voordeel van de tekst én muziek schrijven is dat je precies weet wat je wil vertellen, dat het net als bij de beste singer-songwriters – zoals Brel of The Beatles – één geheel wordt. Ik zie mezelf ook niet als dichter, wel als liedtekstschrijver. Als ik iets groots meemaak – zoals toen mijn moeder dement werd – heb ik eerder de neiging om een tekst te schrijven dan een muziekstuk. En het is ook leuk om over een bekende situatie van bijvoorbeeld een helpdesk, waar je geen steek verder komt, te schrijven. Het ene liedje is dus licht en grappig en het andere is serieuzer, maar er zit wel vaak ontroering in. Dat is mijn middle name’, zegt hij lachend. ‘Als ik niet oppas schrijf ik mijn hele leven alleen maar ontroerende, weemoedige liedjes, maar op een gegeven moment ben je dan als luisteraar verzadigd. Dan moet er een andere kleur bij. Je kunt niet alleen maar droevig zijn. Een mokerslag komt juist harder aan als er daarvoor een zekere lichtheid was.’

tekst: Dees Wilgehof-Sodaar
Dit interview verscheen in De Liedvriend, het ledenmagazine van de Vereniging Vrienden van het Lied, uitgave mei 2022.

Dit interview verscheen in De Liedvriend, het ledenmagazine van de Vereniging Vrienden van het Lied, uitgave mei 2022.
Tekst: Dees Wilgehof-Sodaar.

wat ons inspireert ...

op de hoogte blijven?

schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

Dan laten wij je periodiek weten waar wij mee bezig zijn.